 |
|
 |
|
Ze hebben prachtige namen als Quincy Owusu Abeyie of Haris Medunjanin en hun roots liggen in Ghana en Bosnië. Als ze vanavond tegen Chili, op de binnen acht minuten uitverkochte Vijverberg, weer het Wilhelmus zingen zijn het vooral 'onze' jongens van Oranje. Zeker als ze blijven winnen op dit al zo aardige jeugd-WK tot twintig jaar.
Jongens van Marokkaanse, Liberiaanse en Antilliaanse komaf doen deze dagen meer voor het imago van allochtonen dan alle spotjes van Postbus 51 bij elkaar. Als ware exponenten van de Hollandse voetbalschool weten ze precies hoe je het Oranjelegioen uit zijn dak laat gaan: met aanvallend en technisch verzorgd voetbal, en vooral met veel 'beleving'. Olé, olé dus voor de multiculturele samenleving. "Als zo'n heterogeen gezelschap onder de vlag van Oranje successen haalt dan doet dat het imago van allochtone jongeren zeker goed", denkt Han Entzinger, de geestelijke vader van het inburgeringsprogramma' en hoogleraar algemene sociale wetenschappen aan de Universiteit van Utrecht. Het groeiend enthousiasme rond dit winnende jeugdteam geeft maar weer eens aan dat er ook succesvolle jongeren zijn in een vaak verketterde groep.
"Ik ben blij dat de media-aandacht een beetje schuift in die richting want het is tegenwoordig bar en boos dat alleen alle ellendige problemen onder de allochtone jeugd naar boven worden gehaald", zegt Entzinger.
Turgay Tankir, directeur van het Iter-lokaal een stichting die vanuit Nijmegen hulp- en dienstverlening aan allochtonen biedt hoeft niet te worden overtuigd van de zegeningen van een goede 'mix' tussen allochtonen en autochtonen. "60 procent van ons personeelsbestand is allochtoon, 40 procent Nederlands. Er is hier een heel goede sfeer, beter dan menige instelling die alleen blank is of wat dan ook."